Naar inhoud
Gemeente Mol

Scholen en kennis in de 19e eeuw

Mol had van in de late Middeleeuwen een Latijnse School, gelegen aan de oostzijde van de kerk, naast de lagere school. In de Latijnse School onderwees een priester, later 2 of drie, die rectoren genoemd werden. De school werd mee betaald door de gemeente die de rectoren een loon verschafte. Leerlingen moesten ook schoolgeld bijdragen . Er mag op gewezen worden dat in alle eeuwen de gemeente Mol het belang van onderwijs inzag en er extra veel geld aan besteedde, in vergelijking met andere gemeenten uit de streek, zoals blijkt uit wetenschappelijke studies.

Niet enkel Latijn maar vooral algemene vakken werden onderwezen, ongeveer zoals nu in het ASO. De voertaal was er wel Latijn en op de speelplaats moest dit gesproken worden, het zogenoemde Potjeslatijn. Volgens de reglementen mochten de leerlingen de glazen en de banken niet beschadigen en geen beledigende zinnen roepen naar de jonge vrouwen die de marktdagen bezochten. Nou, nou.

Mol had een bloeiende Latijnse School, zeker in 17de-18de eeuw. De school van Geel trok wel meer leerlingen. Vele leerlingen kwamen niet van ter plaatse. Zij kwamen uit Noord-Brabant en het Waasland bijvoorbeeld. In Mol konden ze goedkoop inwonen, want de leefkosten lagen hier laag en de inwoners waren gelukkig met een kleine bijverdienste. Het onderwijs in de Latijnse School blijkt in de 18de eeuw op een goed niveau te liggen, enkel de kennis van het Grieks werd als zwak betiteld. Mol beleefde onder Napoleon nog een hoogtepunt met vele tientallen leerlingen, onder leiding van rector Belmans.

Na de Latijnse School werd een deel van de leerlingen priester, een ander deel studeerde verder in Leuven, bijvoorbeeld rechten of geneeskunde. Zo konden ze later aan de slag in bestuurlijke functies of als dokter. Zij verbleven er in wat een peda genoemd werd, ingedeeld per streek. De Kempen zat in het gebouw ‘Porcus’, het Varken.

Na keizerin Maria Theresia omstreeks 1770 ging koning Willem I der Nederlanden zich met het onderwijs bemoeien. Hij schafte de Latijnse Scholen af en verving ze in het arrondissement Turnhout door 4 Koninklijke Colleges, te weten in Turnhout, Herentals, Geel en Westerlo. Willem I voorzag moderne staatsprogramma’s en inspectie, maar de lokale clerus aanzag dit als een aanslag op haar positie. De nieuwe colleges werden heftig bekampt, moreel en politiek.

In Mol wilden de verlichte burgers van het schepencollege wel een modern college, en drongen er op aan, tevergeefs.

Het gebouw van de Latijnse School werd door de Belgische oorlogsvrijwilligers toevallig in brand gestoken. Het deed toen dienst als opslagplaats.

De definitieve teloorgang van de Latijnse School enkele jaren na 1830 beroofde Mol van secundair onderwijs.

Een regelrechte ramp waardoor in de 19de eeuw de kansen van de jongeren op sociale promotie sterk afnamen. Pas na 1900 kreeg het secundair onderwijs in Mol weer een voet aan de grond. 

Naast de Latijnse School lag het gebouw van de lagere jongensschool genoemd de Duytsche of Nederduytsche school. Zij leunde ook aan bij kerk en gemeente en moet als instelling heel oud zijn, uit de vroege Middeleeuwen? De koster nam die job lange tijd voor zijn rekening en nog in de 19de eeuw zijn er in Mol klachten over een schoolmeester die zijn klas verwaarloost om op het orgel te spelen tijdens de kerkdiensten.

Men kon er leren lezen, schrijven en rekenen. Lange tijd was het lokaal overbevolkt in de winter en ’s zomers enkel bezocht door de zonen van de betere burgerij.

Voor de gewone volksklasse bleek tot 1850 een telboekje nodig om op de eieren- of botermarkt de rekening te kunnen maken. Die telboekjes heten toepasselijk ‘arenboekske’.

Het schoolgebouw had ook te lijden onder de brand van 1831. In Mol wilde men in de jaren 1830-1840 een grote lagere school en secundaire school oprichten die ten oosten van de oude kerk zou komen tot aan de Kwezelschool. Voorlopig ontbrak het geld dat zou kunnen komen van de verkoop van gemeenteheide voor kanalen en steenwegen. Die aanleg gebeurde omstreeks 1845. Toen was de fut er al uit om op dezelfde plaats een grote eenheidsschool te bouwen, ook omdat de kerk naar het oosten uitgebreid werd. De eenheidsschool kwam er niet. Op de gemeentegrond van het Overlaar verscheen de gemeenteschool van het Rond, met twee lokalen voor een ondermeester en een bovenmeester.

Vanaf 1870 nam het aantal gemeenteonderwijzers snel toe, ook op de lang verwaarloosde gehuchten. In Achterbos, Sluis, Ezaart en Ginderbuiten had eeuwenlang wel een kapelaan de plaatselijke jeugd naar best vermogen onderricht in de kapel.

Vlak bij de kerk lag ook de Kwezelschool ook genoemd de Waalse School of de Kantschool. Hier liepen de meisjes school en ze fungeerde ook als bewaarschool voor jongens en meisjes vanaf de leeftijd van vier jaar. Een drietal juffrouwen of kwezels gaven er les in dit mooie gebouw dat nog altijd Mol siert. Het gebouw van de Kwezelschool was een schenking van het echtpaar Joos-Deliën, een rijk kinderloos echtpaar uit de Molse bestuurlijke bovenlaag.

In het schoolreglement lezen we dat moeders, die komen reclameren over de straf voor hun verwende kindertjes, de toegang moet geweigerd worden. De leraressen beschikten ook elk over een apart haardvuur om hun eten klaar te maken, grote luxe!

De naam kwezels verwees naar godvruchtige ongehuwde dames, die tot 1950 in alle grote dorpen talrijk voorkwamen. Let wel het Molse woord juffrouwke wordt gebruikt om rijke, gehuwde dames aan te wijzen, bijvoorbeeld juffrake Van Praet.

In de tuin van de Kwezelschool stond lange tijd een oud schoolgebouwtje uit 1754. Het rechthoekige gebouwtje werd dikwijls afgebeeld en verdween omstreeks 1950.