Naar inhoud
Gemeente Mol

Ellende en hongersnood in de 19e eeuw

De Molse bevolking was in aantal snel gaan toenemen tot over de 4.000 in de eerste jaren van de 19de eeuw. De bloei van de lakennijverheid deed de rest. Op kunstmatige wijze bereikte de Molse lakennijverheid een bedrieglijk hoogtepunt. De Continentale Blokkade van Napoleon zette de Engelse goedkope industriële concurrentie schaakmat. De Molse baaien rokken, laken hoeden en kledingsstukken, soms met katoen doortrokken, vonden een ruime afzet in de omgeving.

Spinnen gebeurde in de half-landelijke wijken en Dessel werd voor Mol het spinnersdorp bij uitstek.

De welvarende Jan Frans Dillen was de belangrijkste ondernemer. Hij stelde personen in zijn werkplaats aan het werk, maar het overgrote deel van de Molse stoffen werd thuis geweven en dan door de handelaar opgekocht en verhandeld. Het afzetgebied reikte tot Gent en Roermond, maar ook in Brussel werd er veel verhandeld. Familieleden van de Molse Dillens hadden er een hele distributie opgezet.

Na 1810 zette de teloorgang in. Eerst door de slechte economische gang van zaken met Napoleons mislukkingen en de toenemende smokkel via Holland en Zeeland, nadien door de opendeur politiek van de geallieerde overwinnaars. De Zuidelijke Nederlanden werden na 1814 overspoeld door goedkope Engelse producten zoals veloeren frakken.

Tussen 1814 en 1830 bleef het voortsukkelen geblazen. Wel kwam zich in Mol de familie Pirson vestigen die uit Verviers een spinmolen meebracht, type spinning Jenny.

In 1830 vernietigden wanhopige spinners, vooral uit Dessel afkomstig, de spinmolen van Pirson die weggelokt werd onder het valse voorwendsel dat hij dringend naar het gemeentehuis moest komen.

Na 1830 verkleinde het afzetgebied nog sterker. De bevolking die gewoon was aan een bijverdienste in de textiel kreeg het erg te verduren met als hoogtepunt de hongersnood van 1845-1848.

In de buitengehuchten was er in de periode 1840-1890 een evenwichtige opbouw van gezinnen met een groot en gespreid kinderaantal. In Ginderbroek waren er heel wat verstoorde en uiteenvallende gezinnen. In Mol overtrof toen gedurende jaren het aantal sterfgevallen het aantal geboortes, ook al zijn er geen aanduidingen in de richting van een kunstmatige geboortebeperking.

De schatrijke Antwerpenaar De Boey besliste in die jaren dat hij geen geld aan arme Antwerpenaars ging besteden, want daar was de armoede veel minder dan in Mol.

De uitgeputte bezitsloze Mollenaars trachtten toen als dagloners aan de kost te komen op andere plaatsen. Na 1840 vonden zij soms werk bij de aanleg van kanalen en steenwegen, dichtbij of verderweg.

In de grote steden en nieuwe industriecentra vonden zij soms een betere stek. Schrijnend zijn in die jaren de stortvloed van brieven die de gemeente Mol te verwerken krijgt over armen in de steden. Vallen die als zij van Mol afkomstig waren nog ten laste van de Molse arme, de Commissie van Openbare Onderstand, of niet? De Molse arme werd zwaar belast, zeker omdat er ook zwervende Mollenaars, echte of minder echte, waren die zich tijdens de winter in stedelijke gasthuizen lieten opnemen, vanwaar de rekening naar Mol vertrok.