Naar inhoud
Gemeente Mol

De wolverwerking en - relatieve - welstand in de Middeleeuwen

Vanouds hebben de Mollenaars de wol van hun schapen verwerkt in hun hutten. De gezinnen wasten de wol, sponnen draad en weefden zware wollen volksklederen.

De huisnijverheid kwam op in de 14de-15de eeuw. De bevolking nam na de Zwarte Pest weer toe. De textielnijverheid in de grote steden kende een depressie en de textielproductie op het Brabantse platteland nam toe, met de goede producten van de huisnijverheid. In de wintermaanden konden vrouwen en kinderen in Mol goedkoop draad spinnen met het houten spinnewiel. Het weven gebeurde door de mannen die in de zomermaanden ook nog het land bewerkten. Het centrum van Mol werd duidelijk de Markt, met lakenverwerking in de volkswijken Ginderbroek en Rozenberg-Ginderbuiten.

De handel bloeide doordat Mol profiteerde van de toegenomen handel tussen Keulen en Antwerpen, langsheen de Keulsebaan. Mol was daarbij samen met Balen het laatste grote dorp voordat men de Grote Heide introk richting Maasland. Een teken van toegenomen welstand was het ontstaan van een Latijnse school, geleid door een rector, een geestelijke die van de gemeentelijke overheid een wedde kreeg.

Lager onderwijs was er al langer, verstrekt door de Duytsche schoolmeester. Duyts betekent hier Nederduits of Nederlands. Het kleine schoolgebouw stond ook achter de kerk, naast de Latijnse school.

De schuttersgilden lieten ook sporen na, waarbij de aanzienlijke Sint-Jorisgilde en de volkse Sint-Sebastiaangilde vooraan stonden, al scoorden ook de Molse rederijkers.