Naar inhoud
Gemeente Mol

Pest en ziektes in de Middeleeuwen

De Mollenaars leden in de late Middeleeuwen ongetwijfeld ook aan de Zwarte Pest. Die was vanuit 1345 uit Noord-Italië opgerukt naar het noorden en moet omstreeks 1350 Mol bereikt hebben. Of de helft van de inwoners daarbij het leven liet kan betwijfeld worden omdat in Mol een groot deel van de inwoners toch op afgelegen plaatsen woonde waar de ziekte minder toesloeg dan in overbevolkte havensteden. De grote sterfte door de pest zorgde er wel voor dat in onze streken de erfeniswetgeving in het gewoonterecht beter geregeld werd, onder dwang van de grote sterfte.

De pest bleef in Mol endemisch en flakkerde geregeld weer op. Op het einde van de zeventiende eeuw verdween de builenpest, zonder dat men juist weet waarom.

De grote sterfte was daarmee nog niet weg want in de 18de eeuw sukkelde men met de rode loop en de bruine loop, een soort typhus of paratyphus. De tweede helft van de 18de eeuw bracht de eerste grote vooruitgang op medisch gebied: betere vroedvrouwen en de inenting tegen pokken. Ook de voeding verbeterde door het massale gebruik van de aardappel. Dat verhinderde niet dat omstreeks 1866 de cholera toesloeg en in 1918 de Spaanse griep. De grootste volksplaag tot in 1950 was tuberculose, die nadien verdween. Het sterftecijfer was ondertussen sinds 1900 sterk gedaald, gevolg door een snelle daling van het geboortecijfer.