Naar inhoud
Gemeente Mol

Middeleeuwen en ontginningen

Bij de inval van de Romeinen met Julius Caesar, woonden hier de zogenoemde Belgae. Die Belgen waren waarschijnlijk pre-Keltische en pre-Germaanse bewoners. Van hun taal is de plaatsnaam Gompel mogelijk een relict. Volgens de taalkundige Maurits Gysseling zou het betekenen ‘hoogte tussen twee waterlopen’. Dat klopt met de ligging tussen de Scheppelijke Nete en de Mol-Nete.

Caesar vermeldt hier de Eburonen die in opstand kwamen, uitgeroeid werden en vervangen door de Tongeren, een Germaanse stam van over de Rijn. De streek van Mol hoorde bij de civitas Tungrorum (bestuursgewest van de Tongeren), dat tot ver in Noord-Brabant reikte.

In Tongeren zou ook de eerste bisschop gehuisd hebben die nadien verder trekt naar Maastricht en Luik. Dat de streek van Mol tot 1559 kerkelijk bij het bisdom Luik, dekenij Beringen hoort, gaat terug tot die Romeinse tijd. Ook de oudste bezitters, de familie van Adelhard, kwam uit diezelfde regio.

De woningen in onze streek waren toen langwerpige huizen uit hout, leem en stro, ondersteund door rijen eiken palen. Zoals de ons later bekende Kempische schuren. De wegen moeten schaars en onverhard geweest zijn en buiten de woonkernen er als een soort bos- of heidepad uitgezien hebben. In Grobbendonk was er wel een vicus, of handelspost, waar gebakken pannen en ijzerzandsteen gebruikt werden. Onze streek lag in het achterland van de Rijngrens, in de grote Rijnbocht, die liep van Keulen over Nijmegen naar Leiden. Mol en omgeving leverden zeker bevoorrading en ook wel huursoldaten aan de stam der Tongeren, die dienst deden tot aan de noordgrens van Engeland toe.

Het Romeinse bestuur verzwakte in het midden van de derde eeuw. Dat leidde tot invallen en verwoesting. De Romeinen gaven geleidelijk in onze streken toestemming aan de nieuwkomers om zich hier als bondgenoten te vestigen ten zuiden van de Rijngrens, in ruil voor hand- en spandiensten. Hier duikt de naam op van de Salische Franken, afkomstig uit het gebied van de rivier de IJssel. IJssel = het Latijnse Issala.

Met de grote invallen en de langzame ondergang van het Romeinse Rijk liep het bevolkingsaantal weer terug. De bebossing nam toe, zoals blijkt uit pollenanalyse. Langzaam herstel kwam er vanaf de 8ste eeuw met Karel de Grote.

Karel de Grote beval dat elk dorp een kerk moest hebben en een lagere school. Als centrumdorp komt Mol hiervoor in aanmerking, zeker als je er op let dat de oude hoofdkerk Sint-Pieter als patroon heeft. Die naamgeving van Sint-Pieter hing samen met de vroege Middeleeuwen. Denk maar aan Sint-Pieterskerken in bijvoorbeeld Leuven, Turnhout, Herenthout en andere grotere plaatsen. Elke tijd heeft zijn modeverschijnselen, een Sint-Jozef Ambachtsman verwijst naar de eerste helft van de 20ste eeuw; een Sint-Niklaaskapel naar de 12-13de eeuw.

Belangrijk was ook dat Karel de Grote voorschreef dat de kerk en de parochie recht hadden op de tienden van de graanopbrengst.

In de praktijk kreeg de pastoor dus elke tiende korenschoof, of beter gezegde de elfde schoof, zoals in Mol de traditie was.

Wie in Mol pastoor kon worden, werd beslist door de grondheer. Die had het begevingsrecht. Dat begevingsrecht hield in dat hij de pastoor kon aanduiden. De pastoor kreeg dan een bepaald deel – een derde – van de korentienden. Daar stonden verplichtingen tegenover.

De grondheer moest van de korentienden ook het kerkgebouw onderhouden, opbouwen, voor de pastorie zorgen enzovoort.

De grondheer of de pastoor inden niet persoonlijk de korentienden. Dat zou een te groot werk geweest zijn. De velden waren ingedeeld in klampen of districten. Wanneer en hoe die indeling in klampen gebeurde, is niet geweten. Het ophalen van de korentienden werd verhuurd per klamp.

Deze veldklampen stammen oorspronkelijk uit de vroege Middeleeuwen. De klamp ten noorden van de Postelarenweg heette de Bossetienden, ten westen van de Bossestraat. De naam Achterbos stamt er vanaf. Oostelijk van de Bossestraat, ten noorden de Postelarenweg - Kapellestraat, lagen de Sluisse tienden. Dat verwijst naar het gehucht Sluis. De naam Sluis – op de sluis – op’t Sluis - verwijst naar een sluis of sas op de Vleminksloop, ten oosten van de Boerenstraat, aan de Sluismeir. Die Sluismeir is vanaf omstreeks 1200 eigendom van het klooster van Postel. Heeft Postel er die sluis gebouwd of bestond die sluis al voordien?

Ten noorden van de Rooy en ten oosten van de Goorse dijk lagen de Hasselttienden, verwijzend naar de Hassels. Hetzelfde verhaal geldt voor de Stoktsetienden.

Dat die indeling in klampen aan veranderingen onderhevig was bewijzen nieuwe tienden die op het einde van de 17de eeuw ontstonden: de Heitiende op de Heidehuizen en de Leeuwerktienden in Mol-Wezel, alle twee tienden die heel weinig opbrachten.

De twee klampen van Mol-Centrum zijn de Middeltienden of Midakker en de Cloottienden. Dit zijn zeker oude namen.