Naar inhoud
Gemeente Mol

Middeleeuwse voogden en Corbie

Over het middeleeuwse Mol weten we dat het na de grote volksverhuizingen deel uitmaakte van het grote Frankische Rijk. De Rijksgroten bezaten toen grote domeinen. Grond was het enige wat waarde had en de enige bron van inkomsten. Zo waren Mol, Balen en Dessel eigendom van Adalhard, een kleinzoon van Karel Martel. Ieder domein was een gesloten domein. Men zorgde voor zichzelf en de handel was beperkt.

Adalhard trad in 772 in het Noord-Franse klooster van Corbie – nabij Amiens – en bracht voor dit klooster zijn erfgoed mee: ondermeer Mol – Balen - Dessel, maar ook uitgestrekt de streek van Beringen - Heusden en vruchtbare dorpen uit Haspengouw in de omgeving van Borgloon.

Adalhard werd abt en raadsman van zijn familielid de Frankische keizer Karel de Grote, gekroond in Aken in het jaar 800.

De curia of het winhof van Gompel was de zetel van het domein van Mol-Balen-Dessel. Gompel was de herenhoeve van het domein. De oude Gompelse hoeve lag ongeveer aan de kanaalbrug en verdween bij de aanleg van de Verbindingsvaart Turnhout-Hasselt in het midden van de 19de eeuw.

Adalhard stierf in 826, maar al langer was het duidelijk dat zijn goederen een directe bestuurder nodig hadden in woelige tijden. Corbie lag te ver weg en monniken mochten geen wapens dragen. Vandaar dat Mol – Balen - Dessel een Voogd boven zich kregen, een plaatselijk edelman.

Hij verzekerde de veiligheid, het bestuur en de rechtspraak in zijn gebied. Hij woonde in Mol-centrum, mogelijk op de plaats waar nu het Steentje aan de Markt, staat.

In 882, zo schrijven de kronijken van Corbie, vielen de Noormannen het erfgoed binnen van de Gelukzalige Adalhard: Beringen, Montenaken, Gompel en Mol, met hun aanliggende versterkingen werden in brand gestoken.

Mol werd dus duidelijk een bestuurlijk centrum. De bevolking hield zich toen vooral bezig met landbouw en veeteelt. De molens waren een heerlijk voorrecht. Windmolens verschijnen pas omstreeks 1400, zoals de oude molen van Achterbos in het Molse Veld.

Voordien trokken watermolens de kar. De watermolen, waarvan nog een deeltje overeind staat aan de Molenhoek, was een wonder van mechaniek in die dagen. Voor de voogd van Mol was die watermolen een grote bron van inkomsten, naast gerechtsboetes en dergelijke.

De ouderdom van de watermolen is niet meer te bepalen, maar de molen kan gesitueerd worden grofweg tussen het jaar 800 en het jaar 1000. Het belang van de Molse graanteelt blijkt uit de graanprijslijsten bewaard in Antwerpen. Dit wijst op een aanzienlijke graanuitvoer. De Molse watermolen gaf wel aanleiding tot moeilijkheden. De beemden werden dikwijls in de zomer bewaterd met Netewater om een goede toemaat te geven. Zo bleef er te weinig water over om de watermolen te doen draaien. Om daaraan te verhelpen werd in de 14de eeuw het water van de Mol-Nete verlegd naar de Scheppelijke Nete. De ingreep liep door de beemden stroomopwaarts van de watermolen. Zo kreeg de watermolen meer water in de zomer. De ingreep is nog steeds te zien oostelijk van de Bresserdijk. De volksmond spreekt nog steeds correct over de Oude Nete en de Nieuwe Nete.

Na die waterhuishoudkundige ingreep kwamen er klachten over wateroverlast in de omgeving, die pas ophielden toen een 100 jaar geleden de watermolen uitgeschakeld werd.

De volle Middeleeuwen brachten voor de Mollenaars het verdwijnen van de lijfeigenschap op het einde van de 11de eeuw, en de gestadige ontginning van de droogtegevoelige zandgronden.

Men ging ook over op het rendabele drieslagstelsel waarbij het veld slechts 1 jaar braak lag als weidegrond, de andere 2 jaren werd er afwisselend winterkoren en zomerkoren verbouwd.

Over het aantal inwoners weten we niet veel. Uit de Brabantse haardtellingen blijkt dat Mol, in 1436, 380 haarden of vuren telde en Millegem een 16. Het aantal inwoners was dan 4 tot 5 keer groter. In 1474 waren er in Mol al 460 haarden of vuren.

De vraag blijft dan hoeveel mensen, er per vuur of haard leefden, per huis dus. Waren er dat 4 of 5?

Alleszins was Mol een ‘groot’ dorp zoals blijkt uit de Brabantse kronieken, waarbij Jan Boendale schrijft over het Brabantse ridderleger dat met Mol als verzamelplaats optrok naar het Rijnland voor de slag van Woeringen of Wörringen. In de 16de eeuw wordt het volkrijke beeld bevestigd door de Italiaan Guicciardini die de Nederlanden beschrijft. Hetzelfde doet Hendik Conscience in zijn boek over de Loteling.

Uit de bevolkingsaantallen blijkt dat het westen van onze gemeente tot ver in de 19de eeuw veel meer inwoners telde dan de oostelijke helft, afgezien van Postel.

De oostelijke helft, richting Wezel, Rauw en Maat, was de Grote Heide. Daaruit kwam de schrale oostenwind, zei de volksmond.

 

De Molse voogden waren ridders die namen droegen zoals Willem van Mol en Hendrik

van Mol. Zij huwden met leden van de dorpsadel, zoals de familie van Rode uit Kasterlee-Terlo, de familie die de abdij van Tongerlo stichtte.

De voogden-ridders moeten geregeld met de wapens hebben opgetreden om hun erfgoed te behoudene. De grootste veldslag moet omstreeks 1100 geleverd zijn aan het Krijt bij de Rosberg op de Hessie, langs de weg op de grens van Mol naar Geel. In de nabijheid daarvan ligt nu nog de Mulgracht, mogelijk een restant van een oude schans of versterking.

De Molse voogden lagen eeuwenlang overhoop met de afgevaardigden of proosten van de abdij van Corbie. Zoals te verwachten ging het om geld en opbrengsten van rechtspraak en gronden. De watermolen speelde hierin een belangrijke rol. In 1223 komt er een overeenkomst tussen Corbie en de Molse voogd-bestuurder. Die overeenkomst werd opgelegd door de aanwezige nieuwe grote machthebber, de hertog van Brabant. Voor de voogden was dit het begin van het einde. Zij deemsterden weg en de hertog nam hun macht over. Gompel als heerlijk hof, trotseerde nog even de tijd. In 1382 kregen Mol, Balen Dessel en Gompel voor een jaarlijkse huursom weiderechten op de Maat, een uitgestrekt gebied dat voordien exclusief aan de Gompelse herenhoeven toebehoord had. Iets ten noorden van de Maat startte de abdij van Postel vrij vroeg met zijn turfontginningen, en later ging het op de Maat zelf verder met de winning van bruinkool, in het Mols prits en spriet genoemd, een eeuwenoude activiteit. Het ven dat op de eerste kaarten van het midden van de 17de eeuw in het zuiden van de Maat aangeduid staat als ‘Bruin Water’, is een oud overblijfsel van die bruinkoolontginning.

De abdij van Corbie kreeg het steeds lastiger in Mol. De abdij droeg nog wel bij tot de heropbouw van de laatgotische toren in 1494, een monumentaal bouwwerk dat nog het huidige uitzicht van Mol bepaalt. Tot in de 18de eeuw was de torenspits zelfs 40 meter hoog en daardoor, samen met Hoogstraten de hoogste van de Kempen.

De Molse pastoor, aangeduid door de grondheer – de abdij van Corbie - kon in de Middeleeuwen en later, over ruime inkomsten beschikken. Afgezien van een derde van de korentienden, bezat de kerk de landerijen van de Keirlandse Zillen. De naam Keirlanden is afgeleid van kerkelanden. Daartegenover stonden voor de pastoor heel wat verplichtingen.

Corbie viel weg in 1559 toen de edelman - militair Godfried van Bocholt voor een lachwekkend klein bedrag de rechten van Corbie overkocht van de hebzuchtige Franse kardinaal de Bourbon. De abdij van Corbie was in verval geraakt en de monniken hadden een bevelvoerende abt boven zich gekregen die hun stoffelijke belangen moest verdedigen. De kardinaal handelde voor eigen profijt. Weer volgden er vele jaren van procesvoering, tevergeefs.

In 1364 stond de hertog van Brabant toe dat Mol een wekelijkse markt kreeg op dinsdag en twee jaarmarkten, waarvan de huidige jaarmarkt overblijft. Op de markt waren de lakenkramen belangrijk. Dit brengt ons bij de huisnijverheid.