Naar inhoud
Gemeente Mol

Grenzen en groei

Wat?

De grenzen van Mol zijn dikwijls veranderd. In de vroege Middeleeuwen vormde Mol één gebied samen met Dessel en Balen. Links en rechts waren er waterlopen, bomen of houten kruisen die de grens afbakenden met 28 grenspalen. Elke inwoner kon jaarlijks op de Molse voogddagen zich komen beklagen als de grenzen geschonden waren. Rond die grenzen waren er gedurig twisten met de omliggende dorpen zoals Geel of Meerhout. Maar ook tussen Mol, Balen en Dessel waren er onderling grensconflicten. Een voorbeeld is het conflict tussen Mol-Achterbos en Dessel-Dorp over de grens in hun gezamenlijke heide. Als gevolg daarvan ligt het S.C.K. nu op Mols, en niet deels op Dessels grondgebied. Die grensconflicten gingen vooral over Kijfvelden, dat waren heidegebieden waarover men ruzie maakte. Niet vergeten dat op de middeleeuwse heiden alle inwoners van een bepaald gehucht hun vee mochten drijven. Na die ruzies plaatste het gerecht op enkele plaatsen grote gekapte stenen die de grenzen van Mol markeerden. Een voorbeeld ervan is de Steen van de Zeven Heerlijkheden die Mol-Balen-Dessel scheidde van Lommel, Postel, Bergeijk en Luyksgestel.

Is Mol altijd 11 418 hectare groot geweest?

De middeleeuwse Vrijheid Mol bestond uit het Dorp: Ginderbroek, Plaats en Overlaar; en verder uit de 5 gehuchten of heerdgangen: Ezaart en Hessie, Ginderbuiten, Sluis, Achterbos of Genegoor en Stokt dat ook Hostie, Feynend en Haag omvatte. Millegem-plein was een Geels eiland binnen Mol. Postel, Wezel en Millegem-plein –een vijftal huizen - hoorden zeker niet bij Mol.

Wezel bij Mol

De Wezelse Hoeve, omheen de Boerenbril, was in de vroegste Middeleeuwen opgebroken uit de heide door een familielid van de adellijke Molse voogden. Het was een Vrijgoed, dat wil zeggen vrij van belastingen of heerlijke dwang. In de 12de of 13de eeuw ging de Wezelse hoeve met haar grondbezit naar het klooster van Postel.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) of de opstand tegen Spanje leden de Mollenaars veel gebrek door oorlogsheffingen en belastingen. De Molse belastingontvangers, bedezetters genoemd, klaagden erover dat zij zich niet meer op straat konden laten zien. Een vette buit lag voor de hand: de Wezelse hoeve. De Nieuwe Wezelse Hoeve is van latere tijd: omstreeks 1726.

De Mollenaars besloten belastinggeld te eisen op de rijke Wezelse hoeve. De abdij van Postel was door de godsdienstoorlog en de opstand tegen Spanje toch veel van haar pluimen kwijt. De pachter van Wezel wilde aanvankelijk niet toegeven en betaalde zelfs een rechtsdeskundige. Boter aan de galg. Op zekere dag verscheen de vorster van Mol - een soort politieagent – en die eiste de koeien uit de stal op in Oud Wezel, als belastingbijdrage. Het verzet van de Wezelse pachter veegde de koddebeier weg met het eeuwige argument: ‘Ik voer hier bevelen uit, ik neem de koeien mee, voor reclamaties ga het dan in Mol uitleggen.’

Het einde van het verhaal was dat de Oude Wezelse hoeve met haar grote heivelden onder Mol viel. Toen met de Franse Revolutie en bezetting de oude heerlijkheden verdwenen, gingen de Wezelse hoeven naar het grondgebied Mol, al lag Balen dichter bij. Wat nu in Wezel Balens grondgebied is, hoorde dus niet toe aan de Wezelse hoeven, maar viel vroeger onder de heide van het gehucht Balen - Gerheiden.

Toen de zinkfabriek zich in Balen – Wezel vestigde rees het plan om van Wezel een zelfstandige gemeente te maken, los van Balen en Mol. Het opzet mislukte. Zeker de gemeente Balen wilde hier niet van weten.

Postel bij Mol

De grote langwerpige blok van Postel, meer dan 4.000 hectaren, lag ten noorden van de Maat.

Het klooster was een zelfstandige heerlijkheid die bloeide binnen haar vestingen. Toen Postele omstreeks 1130 gesticht was, viel het waarschijnlijk onder Reusel, later dus de Meierij van Den Bosch, en niet onder het markgraafschap Antwerpen.

Omstreeks 1130 was er al een kleine nederzetting in dit heidegebied, met enkele schuren en stallen. Het klooster remde in zekere zin de verdere ontwikkeling van het dorp Postel af. Er waren wel enkele abdijhoeven op Postels grondgebied zoals de Wurft. Buiten de poort met de molenijzers en de mooie toegangsdreef stond de afspanning de Heybloem, met een zeer grote schuur ervoor. De schuur verdween in de grote najaarstormen van de jaren 1970. De oude afspanning is vervallen tot een ruïne. Zij staat iets ten noorden van het moderne kasteel van de familie de Broqueville. Postel werd een bloeiende abdij met een fraai romaans kerkje.

De Tachtigjarige Oorlog bracht de abdij in nauwe schoentjes. Zij kwam op de grenslijn te liggen tussen het vrije en protestantse Noorden (Nederland) en het Zuiden (België) dat bezet en Spaans bleef.

Postel werd betwist gebied, al hield er een protestantse staatsafgevaardigde toezicht.

Twisten en processen volgden, tot in 1780 keizer Jozef II in bezit kwam van de Zuidelijke Nederlanden. Jozef II wilde vooruitgang en besloot een oorlogsschip vanuit Antwerpen de afgesloten Schelde te laten afvaren en met oorlog te dreigen. De Verenigde Provincies van het Noorden gaven toe en Jozef II kreeg in 1784 fort Liefkenshoek (ja, van die tunnel) en Postel als aanwinsten voor het Zuiden.

In 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden bezet door de Franse revolutionairen. Alle oude heerlijkheden verdwenen. Provincies, gemeentes en kantons werden opgericht. Even twijfelde men nog om van Postel een zelfstandige gemeente te maken. Vanuit Mol kon de machtige bestuurder, rechter en politicus Maarten Van Praet, samen met de burgemeester brouwer Wouter Smeulders, hun zin doorzetten. Postel werd bij de gemeente Mol gevoegd onder het kanton Mol. De abdij zelf werd in 1797 trouwens opgeheven door de Fransen en alles werd verkocht. Voor de meubelen alleen werden vele karren gebruikt.

Tientallen jaren was Postel het doelwit van allerlei speculanten. Omstreeks 1840 slaagde gravin de Robiano uit Gijzegem erin het gebied op te kopen voor haar en haar afstammelingen, de familie de Broqueville. De inwoners van Postel deden in de 19de eeuw nog pogingen om naar de gemeente Retie of Dessel over te gaan, tevergeefs. Postel bleef Mols grondgebied.

Millegem-Plein bij Mol

De enclave van Millegem-Plein was sinds de Middeleeuwen eigendom van de Geelse kanunniken van Sint-Dimpna. Toen men in het begin van de 19de eeuw begon met het opstellen van het kadaster, werd het in 1817 bij het voltrekken van den Cadaster bij Mol gevoegd.

De ruil met Bergeyk en Luyksgestel in 1843

Na 1830 werd er tussen Nederland en België nog onderhandeld over de juiste grenslijn. In 1843 werd besloten dat Mol 122 hectaren kreeg van Bergeijk en Luyksgestel. Het was grond die spievormig liep in de richting van de bekende grenspaal de Zeven Heerlijkheden. Wat later ontstond op die Bergeijkse heigrond het mythische gehucht Russendorp. Mol moest in 1843 in ruil 127 hectare Bladelse Heide afstaan aan de gemeente Bergeijk. Die heide lag ten noordoosten van de huidige grens. Het is een smalle strook die de gemeente Mol afsnijdt van het grondgebied van de Noord-Brabantse gemeenten Bladel en Bergeijk. In Bladel staat dat stuk grond bekend als de ‘pechstrook’ want de gemeente Bladel is geen grensgemeente meer, wat voor Europese subsidiëring vereist kan zijn.

De Steen van de Zeven Heerlijkheden

Tot de periode van de Franse Revolutie was dit grenspunt het meest noordelijke van de Vrijheid Mol. De oude naam was Schoingars of Schoongras.

Tot de Franse bezetting grensden daar aan elkaar: enerzijds de voogdij Mol-Balen-Dessel, in het oosten Lommel, een dorp van de Meierij van Den Bosch. In het noorden lag Postel, een zelfstandig kloostergebied, oorspronkelijk ook een deel van de Meierij, en mogelijk zelfs van het dorp Reusel. Dat zijn er dan nog vijf. Bergeijk was altijd een dorp uit de Meierij van Den Bosch. Luyksgestel was een dorp van het prinsbisdom Luik tot het als enclave in het begin van de 19de eeuw geruild werd met ‘noordelijke’ Lommel.