Naar inhoud
Gemeente Mol

Historische feiten

Prehistorische grafheuvels Postel

De prehistorische mens liet de eerste sporen van bewoning na zo’n 2000 jaar voor Christus. Drie grafheuvels in Postel zijn hiervan getuigen. Verder systematisch wetenschappelijk onderzoek kan hier nog heel wat hiaten aanvullen en voor verrassende resultaten zorgen.

Vanaf de 8e eeuw betreden we dan meer vertrouwd terrein. De dorpen Mol, Balen, Dessel behoorden tot het goed van Adalhard, neef van Karel de Grote. Wanneer hij intreedt in de abdij van Corbie schenkt hij zijn gehele bezit waaronder ook onze Kempische dorpen aan deze Franse abdij. Een oorkonde uit het archief van Corbie vermeldde dat in 882 Mol, Gompel, en omliggende nederzettingen door de Noormannen verwoest werden. Eén der belangrijkste nederzettingen uit deze periode is de Gompelhoeve die pas midden 19e eeuw verdween.

De abt van Corbie

De abt van Corbie stelde hier een voogd aan die de belangen van de abdij behartigde. Deze beheersvorm bevestigde zich in de benaming ‘Voogdij Moll, Baelen, Desschel’. De machtsstrijd die zich ontwikkelde tussen de abdij en zijn plaatselijke vertegenwoordiger leidde uiteindelijk tot de overname van de Hoge Heerlijkheid door de hertog van Brabant. De Lage Heerlijkheid en het allodiaal goed van Gompel bleven eigendom van de abdij van Corbie tot in 1559. Toen volgde de verkoop aan Godfried van Bocholtz. Deze bestuurlijke situatie, de Hoge Heerlijkheid eigendom van de hertog van Brabant en de Lage heerlijkheid in het bezit van de familie van Bocholtz of hun latere erfgenamen, handhaafde zich tot aan het einde van het Ancien Régime.

De zestiende eeuw

Mol kende in het verleden hoogten en diepten. Met de 16e eeuw begon er voor Mol een absolute crisisperiode door opeenvolgende plunderingen en epidemieën. Om enkele data te noemen: 1506: inval van de Gelderse en Franse huurlingen, 1528: opnieuw strijd met de Geldersen, 1567: vernieling van de Markt door brand, 1579: de slag van Mol, 1558: pest, 1570: pest, 1576: pest. Er kwam pas verbetering in de situatie einde 18e eeuw.

Mol was een centrumgemeente: als zetel van de voogdij Mol, Balen, Dessel telde het door de eeuwen heen steeds ambtenaren en bestuursfunctionarissen, die er naast de lakenfabrikanten, handelaars en de ambachtslieden de toon aangaven.

De negentiende eeuw

Vanaf de 19e eeuw groeide Mol uit tot een centrum met een uitgebreid achterland want op dat ogenblik wijzigde de situatie zich grondig: de drie dorpen werden zelfstandige gemeenten en het Molse grondgebied werd uitgebreid met Postel, tot dan een zelfstandig abdijgoed. In 1818 werd de Geelse enclave Millegem bij Mol gevoegd en buiten enkele minder belangrijke grenscorrecties bleef het Molse grondgebied ongewijzigd en behoort onze gemeente met een oppervlakte van 11 419ha tot de meest uitgestrekte van België.

Van agrarisch gebied tot aantrekkingspool industrie

Vanaf de vroege Middeleeuwen vormde de landbouw de belangrijkste economische bezigheid in de voogdij. Zij behelsde ongeveer 70% van de totale beroepsbezigheid in de 18e eeuw. Mol was toen een agrarisch gebied met voornamelijk kleine landbouwbedrijven.

De oudste plaatselijke nijverheid ‘van over memorie van mensen in gang’ is zeker de lakenmakerij. Deze zou reeds omstreeks 1300 in werking geweest zijn. Deze nijverheid kende hoogte- en dieptepunten maar was tijdens de 18e eeuw na de landbouw de belangrijkste economische activiteit. Zij beperkte zich niet tot de plaatselijke markten maar er bestonden ook internationale contacten bv. met het Nederlandse Tilburg en met Duitsland.

Vanaf de 19e eeuw laat de Industriële Revolutie zich ook in de Kempen voelen. Belangrijke ontwikkelingen vinden plaats: de kanalen worden gegraven, de steenwegen worden aangelegd en in 1878 komt de spoorlijn Antwerpen – Mol tot stand die later werd doorgetrokken naar Mönchen-Gladbach en de naam kreeg van de IJzeren Rijn. Door de uitbouw van deze verkeerswegen, de ontdekking van het wit zand en de aanwezigheid van goedkope arbeidskrachten kwam de eerste industrialisatie op gang met de vestiging van Vieille Montagne en de springstoffenfabriek N.V. La Forcite, het latere P.R.B., op het grenspunt Mol-Balen-Lommel. Tijdens deze periode beleefde de lakennijverheid een bloeiperiode en werden er nieuwe wolfabrieken gebouwd zoals Van Iersel, Van Hoof, Krings en van Dooren.

Tijdens de jaren 20 volgde dan een nieuwe vestigingsperiode met bedrijven die zich vooral richtten op de verwerking van het wit zand. Denken we maar aan de flessenfabriek Verlipack en Johns Manville op Donk en de vensterglasfabriek Glaverbel in Gompel. Na W.O.II volgde dan een nieuwe fase met de vestiging van de nucleaire bedrijven en werd Mol van het agrarische dorp een industriële gemeente met internationale bekendheid.

Ook voor de plaatselijke bevolking betekende de komst van al deze bedrijven een enorme verandering. Het besloten Kempische wereldje werd vrij bruusk opengetrokken en reeds van in de jaren twintig vestigden zich buitenlandse arbeiders in Mol. Deze inwijking bereikte een hoogtepunt met de uitbouw van de Europese wijk en de opening van de Europese school. Ook de middenstand reageerde op dit nieuwe potentieel aan klanten en tijdens enkele jaren ontwikkelde Mol zich tot een regionaal winkelcentrum.

Toerisme wint aan belang

De jaren zeventig brachten ook hier een zware economische crisis waarvan men zich slechts moeizaam herstelt. Sinds enkele jaren wint het toerisme aan belang. Grootse uitbreidingswerken vinden plaats: de infrastructuur van het Provinciaal Domein Zilvermeer wordt vernieuwd en uitgebouwd, ook de accomodaties van het Zilverstrand worden in een nieuw kleedje gestopt. Sunparks De Kempense Meren brengt heel wat buitenlandse toeristen naar Mol.

Het ecocentrum ‘De Goren’ richt zich tot scholen, toeristen, verenigingen en natuurliefhebbers met educatieve projecten over natuur en milieu. Men vindt er ook allerhande toeristische informatie over de streek.

De Postelse abdij blijft als toeristische aantrekkingspool met duizenden bezoekers per jaar. De aanleg van tientallen kilometers aan fiets- en wandelwegen vervolledigen het toeristisch aanbod van onze gemeente.

Mol heeft ook een zeer actief cultuur- en verenigingsleven. Het cultuurcentrum ’t Getouw, met een schouwburgzaal, brengt ieder jaar een rijk en gevarieerd programma. Drie musea belichten verschillende aspecten. Het Jakob Smitsmuseum toont werken van deze meester en van de kunstschilders die bij het begin van de 20e eeuw ‘de Molse School’ vormden. In het Torenmuseum wordt kerkelijke kunst getoond en kan men de beiaard bezoeken. Het Historisch Museum legt de klemtoon op het dorpsleven en de industriële ontwikkeling door de eeuwen heen.

Sociologische studies klasseren Mol als centrumgemeente op gelijke hoogte met Oudenaarde, Tienen, Geel en Herentals. Mol wordt wetenschappelijk omschreven als een goed uitgeruste kleine stad.