Naar inhoud
Gemeente Mol

Een beleid van sociale-en andere voordelen voeren

De idee achter de reglementering rond de sociale voordelen is dat een lokaal bestuur geen concurrentievoordeel mag creëren ten opzichte van de andere onderwijsnetten door vanuit het gemeentebudget, niet de werkingstoelagen of remgelden, uitsluitend voor de eigen scholen zaken als kinderopvang of leerlingenvervoer te organiseren en te financieren. Doet het dat wel, dan is het verplicht om hetzelfde voordeel toe te kennen aan de scholen van de andere schoolbesturen op het grondgebied die erom verzoeken.

Het Decreet Basisonderwijs (13/07/2001) limiteert dit principe tot vijf sociale voordelen, die de facto alleen in het BaO voorkomen.

De sociale voordelen zijn:

  1. het ochtend- en avondtoezicht buiten de normale aanwezigheid van de leerlingen, d.i. telkens vijftien minuten; het gaat dus om voor- en naschoolse kinderopvang en sinds kort ook om de avondstudie in de derde graad basisonderwijs;
  2. het middagtoezicht voor maximaal één uur;
  3. het ter beschikking stellen van de voor het publiek toegankelijke gemeentelijke sportinfrastructuur en ruimtes voor culturele evenementen; klaslokalen komen m.a.w. niet in aanmerking;
  4. de kosten voor de toegang van de leerlingen van het basisonderwijs tot het zwembad, uitgezonderd de kosten voor één jaar gesubsidieerd zwemmen (geen vervoer naar het zwembad!);
  5. het leerlingenvervoer in het basisonderwijs: i.e. het woon-schoolvervoer, niet het ‘intern’ vervoer.

Als een gemeentebestuur één van de bovenvermelde activiteiten in de gemeentescholen inricht, ontstaat er niet automatisch een sociaal voordeel. Een sociaal voordeel ontstaat enkel indien er aan twee voorwaarden tegelijkertijd voldaan wordt:

  • de andere scholen moeten erom verzoeken;
  • de andere scholen dienen zich minimaal aan hetzelfde stelsel te houden als door het gemeentebestuur opgelegd aan de eigen scholen.

De sociale voordelen worden toegekend per niveau, type of leerjaar en gelden enkel voor het basis- en secundair onderwijs.

Het Decreet betreffende het flankerend onderwijsbeleid behoudt de sociale voordelen en bepaalt bovendien dat ook andere voordelen mogen worden toegekend aan scholen van andere schoolbesturen op het grondgebied die erom verzoeken. Het moet wel gaan om voordelen in de context van het lokaal flankerend onderwijsbeleid. Het gaat dus niet om het bouwen, onderhouden en verfraaien van infrastructuur van andere schoolbesturen en evenmin om het subsidiëren van activiteiten voor het nastreven van de eindtermen of het verlevendigen van het schoolgebeuren. Deze kosten vallen onder de werkingstoelagen van de scholen zelf. Ook het DKO, het VWO e.a. komen in aanmerking voor ‘andere voordelen’. De lokale besturen bepalen de criteria.

Voor wie?

  • Sociale voordelen: Molse Basisscholen
  • Andere voordelen: alle Molse scholen